Deze website gebruikt cookies

Wij maken op deze website gebruik van cookies en vergelijkbare technieken om bezoek te analyseren en om je relevante boodschappen te tonen op social media. Door op 'Alles accepteren' te klikken geef je toestemming voor de plaatsing ervan en het verwerken van op deze wijze verkregen persoonsgegevens, zoals in ons privacy- & cookiestatement wordt vermeld.

Onze privacy- & cookiestatement:

Schoonheid in schouwen
3 oktober 2026

Schoonheid in schouwen

Dat het paleis aan het Lange Voorhout een rijke geschiedenis heeft, is geen geheim. Het gebouw dat sinds 2002 Escher in Het Paleis huisvest, werd door Pieter de Swart ontworpen voor Anthony Patras - een rijke politicus die veel invloed had in de Nederlandse Republiek. Bij de oplevering in 1764 kreeg het pand daarom ook de naam Huize Patras. Prins Hendrik, bekend als de Zeevaarder, kocht het op 1 februari 1848, waarna het een paleis werd van de koninklijke familie. Voor die tijd had het huis verscheidene bewoners gehad en in 1811 verbleven Napoleon Bonaparte en zijn vrouw Marie Louise van Oostenrijk er zelfs een paar dagen.*

De meeste mensen kennen paleis Lange Voorhout echter als het winterpaleis van Koningin-Moeder Emma. Emma werd in 1896 eigenaar van het stadspaleis via haar zwager, prins Hendrik. Na het huwelijk van haar dochter Wilhelmina in 1901 betrok ze Paleis Lange Voorhout en Emma zou er tot haar dood in 1934 blijven wonen.** In 1990 verkocht Prinses Juliana het stadspaleis aan de gemeente Den Haag; belangrijke voorwaarde daarbij was dat het paleis een culturele bestemming zou krijgen.***

Omdat het gebouw door de jaren heen veel verschillende bewoners heeft gekend, is het meerdere malen verbouwd en aangepast. Prins Hendrik deed minimale aanpassingen tussen 1848-1879, terwijl Koningin-Moeder Emma dat rigoureuzer aanpakte tussen 1898 en 1901. Hieruit is het huidige interieur van het paleis ontstaan. Een opvallend onderdeel van dit interieur zijn de vele schouwen die het paleis rijk is. In 2025-2026 deed Jan van ’t Hof, specialist architectuurhistorie bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), onderzoek naar de schouwen en hun geschiedenis. Dit onderzoek werd gefaciliteerd door Escher in Het Paleis, u leest de voorlopige uitkomsten in deze Escher Vandaag.

<p>Schouw van rond 1700 in Duitse kalksteen uit de groeve Aumenau in de Lahnstreek. Foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Michel Mees 2026</p>

Schouw van rond 1700 in Duitse kalksteen uit de groeve Aumenau in de Lahnstreek. Foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Michel Mees 2026

<p>Schouw van rond 1700 in rood-groen Italiaans serpentiniet, naar de kleur en herkomst Rosso Levanto genaamd. Foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Michel Mees 2026</p>

Schouw van rond 1700 in rood-groen Italiaans serpentiniet, naar de kleur en herkomst Rosso Levanto genaamd. Foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Michel Mees 2026

Wat is een schouw?

Schouwen of schoorsteenmantels waren vroeger voornamelijk bedoeld als omlijsting van de stookplaats die, natuurlijk, essentieel was in de tijd dat men nog geen centrale verwarming had. Deze bestond verder uit een rookkanaal achter een boezem - het gedeelte boven de stookplaats dat de rook opvangt en naar het rookkanaal leidt - die tot het plafond was doorgetrokken. De rook verliet het huis uiteindelijk via de schoorsteen op het dak. Schouw en boezem waren bij voorname huizen, zoals het stadspaleis van Emma, altijd onderdeel van het interieur. Ook toen er niet meer gestookt werd met een open vuur, maar met turf-, kolen- en later gaskachels die ook zonder omlijsting konden, bleven schouwen een prominent onderdeel van de kamers. Dat kwam onder andere doordat de bovenbladen van schouwen vanaf het einde van de achttiende eeuw volstonden met uurwerken, vazen, bloemstukken en andere gebruiksvoorwerpen. Een schouw was dus niet alleen een bron van warmte en licht, maar ook een plek waar het leven samen kwam.

Verspreid over het gehele paleis bevinden zich meer dan twintig schouwen, waarvan het grootste gedeelte toegankelijk is voor bezoekers. De schouwen zijn bekeken als onderdeel van een groter onderzoek naar natuursteengebruik én naar schouwen in Nederland. Dit meerjarige onderzoek moet uiteindelijk tot verschillende lezingen, publicaties en een database leiden. Het onderzoek is nog in volle gang maar desondanks kunnen er voorlopige conclusies worden getrokken over de schouwen in Escher in Het Paleis.

Opvallende voorbeelden

Enkele categorieën schouwen springen er extra uit, bijvoorbeeld vanwege het materiaal of de kwaliteit. De eerste groep bestaat uit een aantal schouwen die afkomstig zijn uit Huis Fagel aan het Noordeinde. Deze schouwen zijn terug te voeren naar de ontwerpen van Daniel Marot, een bekende interieurontwerper die óók aan het Noordeinde woonde en veel Franse stijlelementen in Nederland introduceerde. De schouwpartijen die hij ontwierp bestonden meestal uit een rechthoekige, sober omlijste stookopening met daarboven een spiegel of een geschilderd schouwstuk. Bij het uitbreken van de schouwen uit Huis Fagel en de verplaatsing naar Paleis Lange Voorhout is de context verloren gegaan. De schouwen vormden oorspronkelijk een onderdeel van een totaalontwerp, inclusief de kleur van de ruimte, maar mede door het verdwijnen van spiegels en schilderijen was het onderling verband al verloren gegaan. Evengoed zijn verschillende schouwen nog steeds interessant, zoals de drie rechthoekige schouwen in de kamers aan de voorzijde van de tweede verdieping van het paleis die er qua materiaalkeuze uit springen: ze zijn van Duits Lahn-, Italiaans Rosso Levanto- en Frans Tretsmarmer. Deze stenen werden destijds niet of nauwelijks in Nederland toegepast, wat de vraag oproept wie ze eigenlijk gekozen heeft - de opdrachtgever of de ontwerper - en hoe ze hierheen gekomen zijn - in beginsel over zee, maar als bouwpakket van een schouw of in de vorm van blokken?

Het woord marmer kan al aanleiding geven tot verwarring want een geoloog gebruikt dit alleen voor een omgezette kalksteen terwijl de Grieken, die het woord uitvonden, het gebruikten voor alle stenen die na polijsten gaan glanzen. Als een kalksteen wordt omgezet verdwijnen de eerst zichtbare fossielen en ontstaat een nieuwe kristalstructuur. Fossielen zoals weekdieren en koralen zijn nog wel goed zichtbaar bij verschillende Belgische rode ‘marmers’ - eigenlijk versteende koraalriffen -, waarvan een voorbeeld te zien is op de eerste verdieping van het paleis.

<p>Schouw van rond 1700 in Franse kalksteen genaamd Trets, één van de schouwen op de tweede verdieping die afkomstig zijn uit Huis Fagel aan het Noordeinde. Foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Michel Mees 2026</p>

Schouw van rond 1700 in Franse kalksteen genaamd Trets, één van de schouwen op de tweede verdieping die afkomstig zijn uit Huis Fagel aan het Noordeinde. Foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Michel Mees 2026

<p>Schouw op de eerste verdieping van rode rifkalksteen, gevormd toen in België nog een subtropische zee was. In het rode marmer zijn nog grillig gevormde fossielen herkenbaar. Foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Michel Mees 2026</p>

Schouw op de eerste verdieping van rode rifkalksteen, gevormd toen in België nog een subtropische zee was. In het rode marmer zijn nog grillig gevormde fossielen herkenbaar. Foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Michel Mees 2026

Diverse schouwen op de tweede verdieping van het paleis dateren dus van rond het jaar 1700 en zijn vanwege hun vorm en vooral materiaal interessant. Op de bel-etage of hoofdverdieping springen juist een aantal schouwen in het oog vanwege hun architectonische vormgeving. Dat zijn de schouwen in de twee rechter kamers en de zaal middenachter (huidige zalen 1, 2 en 3), die in neoclassicistische vormentaal zijn uitgevoerd - een stijl die de vormen van de klassieke, Griekse en Romeinse architectuur als uitgangspunt neemt. Zo zien we rozetten, cannelures (verticale profielen), festoenen (slingers), palmtakken, geregen pailletten of munten en een keizerskop als medaillon. De vormgeving van de schouwen is nauw verwant aan die van de zalen, dezelfde motieven komen geregeld terug. In de schouw rechtsachter (zaal 2) is er een treffend contrast tussen het ‘lijf’ van zwarte Belgische steen en de witte ornamenten. Er moet nog nader worden uitgezocht hoe oud de onderdelen zijn, al kan het zomaar zo zijn dat een deel van de betimmeringen ten tijde van Koningin-Moeder Emma is aangebracht en afgestemd op de schouwen.

Op dezelfde verdieping zijn de schouwen linksvoor en linksachter (in de huidige zalen 4 en 6) dan weer afkomstig uit Huis Fagel. De schouw in de huidige Paleiswinkel (zaal 6) - vroeger de eetkamer - is van wit marmer uit Italië. Van deze schouw is bekend dat hij in 1900 door de Haagse marmerwerker Laurent Philips in het Paleis is geplaatst. Deze sierende elementen in het historische interieur van het paleis geven soms ook interessante informatie prijs door van dichtbij te kijken. Bijvoorbeeld in de ruimte linksachter (zaal 4) – vroeger de Groene Salon genoemd – is een schouw gemaakt van Belgische hardsteen te zien. In deze steen zijn de kleine fossielen van zeeleliestengels goed zichtbaar; dit zijn de opgebouwde, gesteelde kalkskeletten van zeelelies. Wanneer ze fossiliseren, breken de lange stelen vaak in kleine, schijfvormige segmenten die op kralen lijken. Zo is het bekijken van een schouw ook een inkijkje in de oorsprong van de aarde.

<p>In deze schouw uit het eind van de achttiende eeuw, uitgevoerd in wit marmer, is de aansluiting van de onderdelen via een bajonetaansluiting goed te zien. Foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Michel Mees 2026</p>

In deze schouw uit het eind van de achttiende eeuw, uitgevoerd in wit marmer, is de aansluiting van de onderdelen via een bajonetaansluiting goed te zien. Foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Michel Mees 2026

<p>De neoclassicistische schouw rechtsachter stamt uit het einde van de achttiende eeuw, de betimmering van de kamer met rozetten, cannelures en dergelijke is erop aangepast. Foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Michel Mees 2026</p>

De neoclassicistische schouw rechtsachter stamt uit het einde van de achttiende eeuw, de betimmering van de kamer met rozetten, cannelures en dergelijke is erop aangepast. Foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Michel Mees 2026

Schitterend ensemble

De herkomst van de schouwen blijft gedeeltelijk een vraagstuk: een deel ervan werd tijdens de bouw geplaatst, maar een deel ook later. Welke schoorsteenmantels precies tot welke periode behoren, is moeilijk te achterhalen. Zeker is dat zeven schouwen en andere interieuronderdelen uit Huis Fagel door de koninklijke familie werden verwijderd en overgebracht naar Paleis Lange Voorhout, waar zij opnieuw werden geplaatst.**** In sommige gevallen werden de schoorsteenmantels opgenomen in een nieuw interieur waardoor ze perfect integreren in de ruimte. Dit was bijvoorbeeld het geval in de eetkamer, de ruimte die nu de Paleiswinkel is.

Omdat het paleis meer dan twintig schoorsteenmantels herbergt, vertonen de schouwen een grote stilistische variatie. Naast achttiende-eeuwse exemplaren met eenvoudige of juist rijk uitgewerkte golvende ornamenten, zijn er ook neoklassieke schouwen aanwezig. Deze bevinden zich vooral op de bel-etage, de hoofdverdieping die bezoekers bij binnenkomst betreden. De neoklassieke schouwen onderscheiden zich door hun verfijnde vormgeving, met decoratieve elementen zoals palmtakken, rozetten en medaillons.

Wat Jan van ’t Hof naar voren brengt, onderschrijven wij bij Escher in Het Paleis volledig:

“Alles bij elkaar is er een schitterend ensemble aan schouwen te zien, wat eigenlijk een bezoek op zich waard zou zijn.”

Geschreven met dank aan Jan van ’t Hof en Jula Gommeren

<p>Het centrale rococo-ornament of rocaille in schouw die in 1900 in het Paleis werd geplaatst, maar zelf ouder is. Foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Michel Mees 2026</p>

Het centrale rococo-ornament of rocaille in schouw die in 1900 in het Paleis werd geplaatst, maar zelf ouder is. Foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Michel Mees 2026

Bronvermelding

[*] René Cleverens, Paleis Lange Voorhout, Amsterdam (De Bataafsche Leeuw) 1994, p. 26. Voor de geschiedenis over de verschillende bewoners zie hoofdstuk twee in dezelfde publicatie (pp. 18-25).
[**] René Cleverens, Paleis Lange Voorhout, Amsterdam (De Bataafsche Leeuw) 1994, hoofdstuk vier (pp. 35-44).
[***] De Telegraaf, 19-10-1991, p. T2 (raadpleegbaar via: De Telegraaf » 19 okt 1991 - Art. 1068 | Delpher).
[****] René Cleverens, Paleis Lange Voorhout, Amsterdam (De Bataafsche Leeuw) 1994, p. 40.

Deel:

Meer Escher vandaag

Vormen die spreken

22 augustus 2026

Vormen die spreken

Het werk van M.C. Escher is wereldberoemd. Met name zijn optische illusies, zoals Belvédère (1958) en Klimmen en dalen (1960). Echter, wat Eschers werk ook definieert, zijn de vele vlakvullingen die hij ontwerpt: patronen die het platte vlak volledig bedekken zonder overlap of lege ruimtes.

Een bijzondere samenwerking

4 juli 2026

Een bijzondere samenwerking

Schildersleerling Huug Vooys is 19 jaar als hij gevraagd wordt voor een wel heel bijzonder project: een muurschildering van wel 48 meter lang in de hoofdvestiging van de PTT, het Haagse postkantoor aan het Kerkplein. Het ontwerp is van niemand minder dan M.C. Escher, die naar eigen zeggen mogelijk ‘een alleraardigste opdracht’ van de P.T.T. heeft ontvangen. Het grote doek komt er, maar Escher voert zijn ontwerp niet zelf uit - die eer is aan Huug Vooys.

Perspectiefperfectie in Boven en onder

20 mei 2026

Perspectiefperfectie in Boven en onder

Al bij zijn vroege prenten is Eschers fascinatie over de mogelijkheden van het perspectief te herkennen. Daarin combineert hij de regels van het klassieke perspectief met een extreem standpunt. Later gaat hij meer experimenteren en gebruikt hij de regels om kijkers op het verkeerde been te zetten. In deze werken zijn de perspectieflijnen recht, maar Escher realiseerde zich dat een gebogen lijn eigenlijk meer overeenkomt met wat onze ogen zien. In Boven en onder bereikt hij de perfectie in het toepassen van het gebogen perspectief.