fbpx
Tickets bestellen
Adres
Lange Voorhout 74
2514 EH Den Haag
T: 070-4277730
E: info@escherinhetpaleis.nl
Terug

Emblemata

‘En zoo ontstond met een hoogst ironische aanknooping bij de traditie der “voorvaderen” iets totaal nieuws.’

Vorige keer schreef ik al over hoe Escher werd geïnspireerd door de Laatmiddeleeuwse kunstenaar Hieronymus Bosch, deze keer komt de inspiratie uit de Gouden Eeuw. En dan specifiek: Emblemata. Deze plaatjes met praatjes leidden indirect tot zijn grote erkenning als kunstenaar.

In de zeventiende eeuw waren emblemata verschrikkelijk populair, er werden zelfs emblemataboeken uitgebracht. Een emblemata is eigenlijk een plaatje met een praatje. Een afbeelding met een motto en een gedicht. De lezer moest deze drie combineren om de bedoeling van het embleem te doorgronden.

Hoe heurt het eigenlijk?

Het eerste emblemataboek dateert uit 1531, het genre nam echter pas een vlucht in de zeventiende eeuw. Bekende Nederlandse schrijvers zoals P.C. Hooft en Jacob Cats schreven met succes emblemataboeken. In emblemata konden levenslessen worden gevonden, dikwijls met een flinke moraal. Men bediscussieerde de emblemata in gezelschap en kwam zo tot de betekenis ervan. Politiek of religie kunnen het onderwerp zijn, maar de meeste emblemata gaan natuurlijk over de liefde. Daar ben je tenslotte nooit over uitgeleerd, wisten ze toen al. Het bekendst zijn de Sinne- en minnebeelden van Cats uit 1618. Cats boek leverde hem de zelfs de bijnaam Vadertje Cats op, omdat hij ieder met zijn emblemata bijstond met wijze lessen.

Persoonlijk ben ik echter een groot fan van de emblemata van Roemer Visscher. Zij zijn visueel sterk en nog steeds erg leuk om te lezen, zoals deze afbeelding met het thema Vroech rijp, vroech rot, waarin Visscher filosofeert dat mensen die vroeg rijp zijn meestal ook vroeg op hun eind zijn. Niet heel positief, maar wel grappig.

Uit de mode

Na de achttiende eeuw raakten emblemata uit de mode. Desondanks besloot Escher in 1930 een serie emblemata te maken. Waarom zou hij dat doen? Dit idee kwam niet uit de lucht vallen. In Rome, waar Escher op dat moment werkte, was de kunsthistoricus G.J. Hoogewerff directeur van het Nederlands Historisch Instituut. Hoogewerff was destijds al een kenner van de Hollandse en Vlaamse oude meesters en zou later in zijn leven uitgroeien tot een grote naam in de kunsthistorie. Hoogewerff was lyrisch over het werk van Escher en zag in zijn oeuvre veel kwaliteiten die hij ook terug zag bij de oude meesters. Wanneer Escher eind 1930 depressief is en verlegen zit om inspiratie, suggereert Hoogewerff hem om emblemata te maken. Zo ontstond een samenwerking. Hoogewerff verzorgde de teksten onder het pseudoniem A.E. Drijfhout en Escher verzorgde de houtsneden.

Knipoog

Net zoals in de zeventiende eeuw kwamen de emblemata dus tot stand uit een partnerschap tussen een kunstenaar en een schrijver. Maar dat zijn niet de enige overeenkomsten. Ook qua onderwerpskeuze zijn er gelijkenissen. Escher maakte hier en daar bewust een knipoog naar de traditionele emblemata. Zo beeldde hij een luit, een aambeeld en een weegschaal af zoals je die bij veel zeventiende-eeuwse voorgangers ziet. De symbolische betekenis van de objecten uit voorgaande eeuwen nam hij dan weer niet over. Wellicht vond hij dat je niet moest overdrijven. Het hedendaagse publiek moest het nog wel begrijpen.

M.C. Escher, Luit, houtsnede, 1931
Roemer Visscher, Sinnepoppen, pag. 21, 1614

Elsevier

Ondanks alle inspanningen was het lastig om de emblemata gepubliceerd te krijgen. Wellicht waren de emblemata toch iets te ouderwets en maakte ook de Latijnse teksten ze elitair. De hoofdredacteur van de Elsevier, waar Hoogewerff regelmatig voor schreef, vond de emblemata in ieder geval niet geschikt voor zijn lezers. In een artikel over het gehele oeuvre van Escher was hij wel geïnteresseerd. Het resultaat is het artikel M.C. Escher, grafisch kunstenaar, door G.J. Hoogewerff gepubliceerd in 1931.

Niet zelden kloek

Het heerlijk ouderwetse Nederlands waarin Hoogewerff Escher in het artikel aanprijst, maakt het al het lezen waard. Zo zegt hij in het begin:

‘Een houtsnede of een steendruk van Escher goed beschouwende, zal men niet licht zeggen “gunst, hoe origineel” en na een welwillend knikje tot iets anders over gaan.’

En later:

‘Het is alles positief, het is alles echt en waar; zonder opdringerigheid van vertoon, zonder “modern” bejag van grilligheid; heel vaak is het subtiel en niet zelden kloek; maar het is alles rustig.’

Achttien pagina’s duurt deze poëtische lofzang op Eschers werk. Een artikel in de stijl van een polygoonjournaal.

M.C. Escher, Weegschaal, houtsnede, 1931
Roemer Visscher, Sinnepoppen, pag. 161, 1614

Houtsneden volgens den ouden trant

Aan het einde maakt Hoogewerff stoutmoedig gebruik van het podium wat hij heeft als auteur, hij fietst de emblemata erin. Maar hij beschrijft het natuurlijk anders:

‘houtsneden met titelblad, die volgens den ouden trant der “emblemata” op beknopte, zinnenrijke wijze bij moderne spreukverzen de verluchting zijn’.

Over zijn eigen bijdrage doet hij lekker geheimzinnig:

‘gedicht door A.E. Drijfhout, dien Escher in Spanje toevallig leerde kennen en die voor de lezers van “Elseviers Maandschrift” geen onbekende is, al leest men maar zelden iets van zijn hand.’

Hoogst ironisch

‘En zoo ontstond met hoogst ironische aanknoping bij de traditie der “voorvaderen” iets totaal nieuws,’

schrijft Hoogewerff over de emblemata. En daar legt hij de vinger op de juiste plek. Niet alleen wat betreft de emblemata, maar ook over het gehele oeuvre van Escher. Dat is precies wat Escher doet. Hij gebruikt de technieken van de oude meesters, maar op zijn eigen manier.

De opmerking slaat ‘hoogst ironisch’ ook op Hoogewerffs eigen bijdrage als kenner van oude meesters. Uiteindelijk worden de emblemata vrijwel vergeten in het oeuvre van Escher, maar de invloed van deze samenwerking met Hoogewerff blijft.

Het lovende artikel dat de kunstkenner schreef in Elsevier is een belangrijke stap geweest naar de erkenning van Escher als grafisch kunstenaar.

  • Later brachten Hoogewerff (onder zijn pseudoniem A.E. Drijfhout) en Escher alsnog alle 24 emblemata die zij maakten uit bij uitgeverij Van Dishoeck in 1932. Deze uitgave is door de Universiteit Utrecht gedigitaliseerd en hier te bekijken: 24 emblemata
  • Het artikel van Hoogewerff, M.C. Escher, grafisch kunstenaar in Elseviers geïllustreerde Maandschrift uit 1931 is eveneens te lezen via deze link: Elsevier
  • En ook Roemer Visschers Sinnepoppen zijn via de Universiteit Utrecht online te bekijken: Sinnepoppen

Meer verhalen over Escher